08 mei 2018

Interview: 'De hervorming van het secundair onderwijs is een gemiste kans'

Tot enkele jaren geleden leek alles peis en vree in de onderwijswereld. Ons onderwijs behoort tot de wereldtop, dus waarom zouden we hervormen? Onderzoeker Simon Boone zoomde in op de overgang van de basisschool naar de middelbare school en stelde vast dat er wel degelijk wat schort.

1. Ons onderwijs behoort tot het beste ter wereld. Toch woedt het debat heviger dan ooit. Hoe komt dat?

‘Gemiddeld scoort ons land erg goed in internationale onderzoeken naar de kwaliteit van het onderwijs. Zo is er het PISA-onderzoek, dat 15-jarigen test op leesvaardigheid, wiskunde en wetenschappen. Bij dat onderzoek behoren we telkens tot de top van de OESO-landen. We mogen dus terecht trots zijn op ons onderwijssysteem.

Bio: Simon Boone

Simon Boone (VUB) is doctor in de sociologie en was coördinator van het interuniversitair onderzoeksproject Transbaso. Hij ontrafelde hoe leerlingen de overgang van het basis- naar secundair onderwijs doormaken en zocht uit hoe we de studiekeuze kunnen vergemakkelijken.

Maar tegelijk is de groep ‘toppresteerders’ kleiner aan het worden. Je zou kunnen zeggen dat ons onderwijs niet meer de wereldtoppers voortbrengt. Die evolutie heeft bepaalde politieke partijen wakker geschud, die jarenlang eigenlijk niet erg begaan leken met het onderwijs. Ze beweren dat het gelijkekansenbeleid de kwaliteit van het onderwijs naar beneden haalt.

Het is natuurlijk een slecht signaal dat de groep toppresteerders kleiner wordt, maar het bieden van gelijke kansen haalt de kwaliteit van het onderwijs niet naar beneden. Werken aan gelijke kansen betekent niet dat alle jongeren plots moeten afstuderen met hetzelfde diploma. Daar heeft geen enkele onderzoeker of partij ooit voor gepleit.

Waar het wel om draait, is dat elke leerling zijn talenten moet kunnen ontplooien, los van zijn socio-economische of etnische achtergrond. De kloof tussen de zwakste en sterkste leerlingen blijft immers heel groot.’

2. Hoe vlot verloopt de overgang van basis- naar secundair onderwijs?

‘Meer dan tachtig procent van de leerlingen start in theoretische studieopties zoals klassieke talen en moderne wetenschappen. Talenten en interesses worden bij die studiekeuze amper in rekening gebracht. De focus ligt heel sterk op de cognitieve vaardigheden.

Leerlingen die goed scoren in het basisonderwijs, starten bijna altijd in Latijnse. Wie gemiddeld scoort, start doorgaans in moderne. En wie minder dan gemiddeld scoort, komt terecht in technische of kunst. Studieopties als technische en kunst zijn jammer genoeg zelden positieve keuzes, omdat ze vaak enkel worden geadviseerd als een leerling minder sterk presteert voor wiskunde en Nederlands.

Daardoor zijn veel kinderen die starten in een technische richting al van bij het begin van het middelbaar in zekere mate schoolmoe. Ze hebben immers al vaak te horen gekregen dat ze minder goed presteren dan hun medeleerlingen en hebben daardoor het gevoel dat school niks voor hen is. Dat is natuurlijk nefast voor hun persoonlijke ontwikkeling. We moeten kinderen de kans geven om hun talenten op een positieve manier te ontdekken. Een leerling die geïnteresseerd is in techniek of kunst, kan perfect meteen in die richtingen starten.

Tot slot bleek ook dat de studiekeuzeondersteuning sterk afhankelijk is van de omgeving van de leerling. Leerkrachten in de ene school geven erg intensieve begeleiding, terwijl in andere scholen leerlingen bijna aan hun lot worden overgelaten. Ook de ouders spelen een belangrijke rol. Ons onderwijssysteem is ontzettend complex. Veel lageropgeleide ouders raken er niet wijs uit.’

3. De brede eerste graad leek een oplossing voor veel van deze problemen. Hoe kijk jij naar de hervormingen van het secundair onderwijs?

‘Het idee achter de brede eerste graad was dat de studiekeuze zou worden uitgesteld tot na het tweede middelbaar. Kinderen van 11 jaar zijn nog veel te jong om zo’n ingrijpende keuze te maken. Dat vind ik nog steeds een nobel doel, maar de hervormingen lijken alles nog complexer te maken en nog meer tussenschotten te creëren.

Je moet weten dat er op dit moment eigenlijk geen ASO, TSO, KSO en BSO bestaat in de eerste graad van het middelbaar. Sinds 1989 werken we met een A- en een B-stroom. Met keuzevakken oriënteren kinderen zich al richting het ASO, TSO, KSO en BSO maar eigenlijk bestaat die opdeling dus niet. Heel veel mensen weten dat niet.

‘Werken aan gelijke kansen betekent niet dat alle jongeren moeten afstuderen met hetzelfde diploma’

- Simon Boone

Met de hervorming van het secundair onderwijs voegt de regering aan die keuzevakken nog het verschil tussen verdiepen, versterken en verkennen toe in de eerste graad. Dat maakt alles nóg ingewikkelder.

Bovendien zullen scholen vrij zijn om dit zelf in te vullen. Ik vrees dat er in de praktijk erg grote verschillen zullen zijn tussen scholen en dat de tussenschotten blijven bestaan.

De hervorming is in dat opzicht een gemiste kans, omdat je leerlingen nog steeds erg vroeg beslissende keuzes laat maken. Nochtans was het uitstellen van de studiekeuze één van de uitgangspunten van de hervormingsplannen die ooit op tafel lagen.’

4. Sommige scholen nemen het heft in eigen handen en voeren een 4-4-4-structuur in: vier jaar basisschool, vier jaar tienerschool en vier jaar middelbaar. Moeten scholen kunnen experimenteren?

‘Een paar scholen experimenteren inderdaad met tienerscholen, die overeenkomen met het vijfde en zesde leerjaar en het eerste en tweede middelbaar. Kinderen van 10 tot 14 jaar kunnen zo in theorie proeven van verschillende oriënteringen zonder definitieve keuzes te maken. Bovendien is de overgang naar het middelbaar zo minder bruusk.

Het uitstel van de studiekeuze vind ik natuurlijk positief. De gevolgen van zo’n verregaande hervorming kan ik echter niet voorspellen. Het zit echt nog in de experimentfase en viel dan ook buiten ons onderzoek.

Het toont wel aan dat scholen ruimte nodig hebben om zelf te vernieuwen. Er is geen nood aan meer regels, maar aan duidelijkere regels. Eén van onze aanbevelingen was om dringend werk te maken van een duidelijkere onderwijsstructuur. Binnen dat duidelijk kader kunnen scholen dan innoveren.

Daarnaast moeten we volgens mij de kwaliteit van scholen beter kunnen opvolgen. En wat daarbij belangrijk is, is vooral de leerwinst. Natuurlijk boekt een elitair college goede resultaten: hun leerlingen hebben bijna allemaal een goede thuissituatie. Maar boeken ze ook veel vooruitgang?

Centrale toetsen kunnen bijvoorbeeld een instrument zijn. Maar dan wel in het kader van kwaliteitszorg, en niet om sensationeel mee in de media uit te pakken. Dat zou de clichés over scholen alleen maar vergroten.’

5. Hoe ziet het ideale onderwijssysteem er voor jou uit?

‘Eerst en vooral moet de studiekeuze verlaat worden. Het is onverantwoord om kinderen van 11 jaar een levensbepalende beslissing te laten nemen.

Daarnaast moeten we breder kijken dan enkel wiskunde en taal. Nu trekken we leerlingen uit elkaar op basis van hoe goed ze zijn in die vakken. Dat is een erg beperkte kijk op de kwaliteiten en interesses van leerlingen en zorgt ervoor dat sommige kinderen al op vroege leeftijd afhaken. Het ideale onderwijs houdt rekening met interesses en talenten van kinderen.

Tot slot zouden we in veel kleinere klassen moeten werken. Dat geeft leerkrachten de kans om te differentiëren. Zo kunnen ze leerlingen die al weg zijn met bepaalde leerstof verder uitdagen en anderen, die het nog niet helemaal onder de knie hebben, bijwerken. In een grote groep heb je daar simpelweg niet de tijd voor. Dat kost natuurlijk wel geld, maar je kan nooit genoeg investeren in onderwijs.’

Tekst: Wim Vandonck

Foto's: ID/Franky Verdickt


Vond je dit artikel interessant? Abonneer je op Pit, ons driemaandelijks magazine voor doeners die onze slogan 'het kan anders' elke dag in de praktijk brengen.

Vind Groen in je buurt

Vind je gemeente

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat je onze website zo goed mogelijk beleeft. Lees meerOK