12 okt 2016

Interview: 'Zorg is een verantwoordelijkheid van iedereen'

Vier jaar na het verschijnen van zijn boek ‘Borderline Times’, staat de boodschap van psychiater Dirk De Wachter meer dan ooit als een paal boven water. We leven in tumultueuze tijden, maar het kantelpunt – met liefde, engagement, solidariteit en gemeenschapszin als katalysators – is stilaan bereikt. Mensen verbinden in de onderstroom, daar komt het volgens De Wachter op aan. ‘Er is geen alternatief, om het met de woorden van de vijand te zeggen.’

Bio

Dirk De Wachter (56) is psychiater-psychotherapeut en diensthoofd systeem- en gezinstherapie aan het psychiatrisch centrum van KU Leuven. In 2012 hield hij de samenleving een spiegel voor met zijn eerste boek ‘Borderline Times’. De Wachter is een vaak gevraagd spreker. Kritisch, maar altijd verbindend en hoopvol.

De Wachter kiest zijn woorden zorgvuldig. Hij nuanceert en staaft zijn stellingen met veel voorbeelden. Slechts één keer hoeft hij geen seconde na te denken. Gevraagd wat hij zou doen als hij carte blanche kreeg voor de zorgsector, antwoordt de psychiater kort en krachtig. ‘Het budget voor geestelijke gezondheidszorg verdubbelen!’

Hoeveel geld is er momenteel voorzien?

De Wachter: ‘Het budget voor geestelijke gezondheidszorg bedraagt zes procent van het gezondheidszorgbudget. Dat is absurd! Zo’n visie dateert uit een tijd waarin mensen stierven aan tuberculose en geamputeerd moesten worden om te overleven. De lichamelijke zorg was toen veel zwaarder. Vandaag is psychische zorg zo cruciaal geworden, dat ik het budget er voor meteen zou verdubbelen.’

Zijn we ook niet wat overbezorgd?

‘Integendeel: we moeten allemaal wat beter voor elkaar beginnen zorgen. Het probleem is dat de wereld aan het psychiatriseren is. Maak morgen dubbel zo veel psychiaters en overmorgen hebben ze dubbel zo lange wachtlijsten.

De eerste preventie ligt bij mensen zelf. In elkaar ontmoeten en met elkaar praten. Niet alleen over leukigheden maar ook over wat er niet goed gaat. Natuurlijk is het moeilijk om te praten met iemand met verdriet. Toch is het niet alleen de taak van psychologen en psychiaters. Zorg is een verantwoordelijkheid van iedereen.

Waar we wél te veel mee bezig zijn, is labels geven. Vaak krijg je pas zorg nadat je een label hebt opgeplakt gekregen. Gewoon met iemand gaan praten kan niet meer. Labels zijn werkhypothesen die te vaak dreigen identiteiten te worden, als virtuele tatoeages op het voorhoofd van de patiënt.’

En zo wordt er ook vlotjes medicatie voorgeschreven.

‘Dat klopt. Sommige mensen hebben natuurlijk echt medicatie nodig. Het kan zelfs levensreddend zijn. Maar een miljoen verpakkingen antidepressiva per jaar, dat is gigantisch veel. Dat moet ons doen nadenken. De geneeskundeopleiding moet zijn curriculum aanpassen en meer inzetten op psychologische problemen en communicatie.

Bovendien mogen we niet alleen vingerwijzen naar de dokters. Mensen vragen ook te veel naar medicatie. Ze komen bij ons met gezinsproblemen en vragen niet om te praten en na te denken, maar willen een pil zodat ze zich niet meer slecht voelen en weer opnieuw kunnen doordrammen.’

We moeten dus beter voor elkaar zorgen, maar tegelijk moeten we steeds flexibeler en harder gaan werken. Hoe valt dat te rijmen?

‘De samenleving heeft nood aan arbeid die flexibeler kan ingevuld worden. Zo kunnen mensen deeltijds werken en ernaast mantelzorg opnemen voor een naaste. Of zo kunnen ze na een periode van ziekte terug starten aan 20, 30 of 40 procent. En wie weet is 50 procent wel hun maximum.

Ik zie immers vaak mensen die eigenlijk hersteld zijn, maar niet terug kunnen naar dezelfde job. Daarom hou ik ze werkonbekwaam. Want willen ze een menswaardig leven, dan hebben ze hun vervangingsinkomen nodig. Dat zorgt er voor dat mensen blijven vastzitten in hun stigma.

We moeten nadenken over een systeem waarbij we mensen de touwtjes in handen geven, zonder te zeggen: trek je plan. Een deel van die problematiek zou kunnen opgelost worden met een vorm van een basisinkomen. Zo hebben mensen niet langer het ziekte­statuut nodig om een menswaardig inkomen te krijgen.

Natuurlijk zijn de economische uitdagingen van zo’n basisinkomen groot. Ook uit de armoedebeweging klinken er kritische stemmen. Maar het gaat er om dat we dingen in vraag blijven stellen. Op het moment dat er over een hervorming van de sociale zekerheid beslist wordt, is ze eigenlijk al achterhaald. Hoe zorgen we voor mensen die niet meer mee kunnen? Hoe gaan we die massale hoeveelheid bejaarden in het maatschappelijk weefsel houden? Hoe houden we sociale zekerheid betaalbaar als we iedereen die niet top presteert willen weg steken? Daar moeten we continu over blijven nadenken.’

Het valt op dat je een deel van de verantwoordelijkheid bij de maatschappij legt.

‘Ja, maar daarmee doel ik op iedereen. Het gaat niet over de bankiers, de migranten, de werkgevers, de vakbonden of de politici … Nee, iederéén is een deeltje van de maatschappij en moet een klein stukje bijdragen.

De overheid kan wel een kader creëren door een samenleving te faciliteren waar solidariteit wordt versterkt en egocentrisme getemperd.

We gaan nooit Utopia realiseren. Nee, de grootste afschuwelijkheden uit de geschiedenis zijn gebeurd door mensen die van de wereld een zogezegd paradijs wilden maken.
Het gaat om de kleine initiatieven die altijd opnieuw proberen iets goed te realiseren. Die mag je niet versmoren van bovenaf.’

'We moeten mensen de touwtjes in handen geven, zonder te zeggen: trek je plan'

Gaat een buurtbarbecue echt het verschil maken?

‘De psychiatrie weerspiegelt vaak de samenleving. Ziekenhuizen zijn om economische redenen gefuseerd en anonieme managementstructuren geworden die alle verbinding met de bodem verloren hebben. En dat terwijl we mensen enkel kunnen genezen door hen een plaats in de samenleving te geven en hen niet achter een muur te zetten, weg van de wereld en vol pillen.

Voor de samenleving geldt net hetzelfde. Natuurlijk gaat een barbecue niet alles oplossen, maar toch moeten we blijven investeren in bottom-up initiatieven en moeten we mensen blijven verbinden. Om de woorden van de vijand te gebruiken: er is geen alternatief. Alleen zo houden we iedereen in de boot. Alleen zo laat je mensen niet radicaliseren. En dat gaat niet alleen over moslims. Iedereen radicaliseert als hij angstig wordt en zijn waarde dreigt verloren te gaan.’

De moslimgemeenschap is net een erg verbonden gemeenschap. Hoe komt het dat precies moslimjongeren vatbaar zijn voor radicalisering?

‘Ze vallen tussen twee stoelen. Tussen de westerse wereld en de traditionele moslimcultuur. Ze maken een cultuurclash mee die heel zwaar is.

Ik las een interview met een Franse psychiater die na lang studiewerk concludeerde dat alle mensen die naar terreur grijpen, volledig geïsoleerd zijn uit het sociale weefsel. Dat geldt voor Abdeslam, maar ook voor De Gelder en Breivik.

Terreur wortelt in volstrekte uitval. De ideeën van terroristen worden niet meer gecounterd door een context die hen in de samenleving houdt. En dat kan enorm snel gaan.

De aanslagen maken onze borderline times zo mogelijk nog ingewikkelder. Het is allemaal zo nieuw. We moeten er op een verstandige manier mee leren omgaan. Maar we moeten ook niet naïef zijn – laten we alstublieft de veiligheid maar goed bewaken!

Ik probeer heel genuanceerd te zijn over dit onderwerp, want de discussie wordt vaak een discours van links tegen rechts. Links die vindt dat we mekaar een kus moeten geven en dat alles dan is opgelost. Ik hoor links dat niet zeggen, maar zo wordt dat wel verkocht. En rechts die zegt: we schieten ze allemaal af! Ik hoor rechts dat ook niet zeggen, behoudens enkele onnozelaars.’

Verhardt de toon in het debat?

‘Dat merkt iedereen, daar kan je niet om heen. Minder harde taal wordt weggezet als wollig en belachelijk. Nee, we moeten hard zijn, want het moet maar eens gedaan zijn. Er wordt trouwens niet alleen harder gesproken, maar ook harder opgetreden.
Daar moet men heel voorzichtig mee zijn. Taal en media zijn ontzettend belangrijk in het bepalen van ons mensbeeld en onze cultuur. Onze communicatie bepaalt hoe we met elkaar omgaan.

Hele bevolkingsgroepen stigmatiseren is zeker geen deel van de oplossing. De enige manier is samenleven, verschillen begrijpen, luisteren en op één of andere manier verbinding zoeken.
Vluchtelingen gaan blijven komen omdat de wereld zo onrechtvaardig is. Je hoort dan vaak dat we het hier zo goed hebben omdat onze ouders, grootouders en voorouders er zo hard voor gewerkt hebben. Komaan zeg, wij hebben meestal niet harder gewerkt dan een arbeider in een Zuid-Afrikaanse mijn.

De welvaart is enorm onevenwichtig verdeeld en dat zal kantelen. Soms ben ik pessimistisch, maar dan raap ik me snel weer bij elkaar en word ik weer hoopvol. Hoopvol dat we voor één keer, voor de eerste keer in de geschiedenis, deze verschuiving zonder grote destructie kunnen laten verlopen.’

Je oogst veel succes met je analyses. Hoe ga je daar mee om?

‘Ik krijg heel veel applaus in de zorgsector, waarna men overgaat tot de orde van de dag. Tot vandaag verandert er bitter weinig en gaat alles erg traag vooruit. Da’s één van mijn grote frustraties.

Maar ik durf ook naar mezelf kijken: ik werk veel te hard. In dat opzicht ben ik zelf een bewijs van mijn eigen bedenkingen. Ik ben niet beter dan de mensen op wie ik commentaar heb. Ook over mijn boek zeg ik vaak dat het over mezelf gaat. Over hoe ik ook zelf doordram en maar niet stop. Over hoe ik altijd bezig ben en tot diep in de nacht aan een boek zit te schrijven. Dan denk ik: laat dat toch eens los!’

Tekst: Wim Vandonck

Foto's: ID/Fred Debrock

Vind Groen in je buurt

Vind je gemeente

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat je onze website zo goed mogelijk beleeft. Lees meerOK