02 apr 2012

Kinderopvang: decreet van de gemiste kans

Op 29 maart keurde het Vlaams Parlement het nieuwe decreet kinderopvang goed. Om alle kinderen gelijke kansen te geven, is het absoluut nodig dat kinderopvang toegankelijk is voor iedereen. Het nieuwe decreet doet net het tegenovergestelde, en geeft voorrang aan kinderen van werkende ouders. Bovendien verstrengt het decreet de regels, maar voorziet het te weinig middelen voor de private kinderopvang. Zal dit decreet de kinderopvang in Vlaanderen redden? Absoluut niet, zo betoogt Mieke Vogels.

Mieke Vogels: ”Tijdens de commissiebesprekingen heeft mevrouw De Vits verklaard dat de sp.a ongelooflijk blij is dat het recht op kinderopvang in het ontwerp van decreet is ingeschreven. We hebben allemaal een brief van de Nationale Vrouwenraad gekregen. De Nationale Vrouwenraad is zeer blij dat het ontwerp van decreet stelt dat elk kind recht op kwalitatieve kinderopvang heeft dat er, ongeacht de initiatiefnemer, een enkel kwaliteitssysteem voor de Vlaamse kinderopvang komt, dat de kinderopvang voor iedereen toegankelijk en betaalbaar wordt en dat er voor alle loontrekkenden een gelijkschakeling van de arbeidsvoorwaarden komt. Ik wil positief beginnen. Ik onderschrijf al deze uitgangspunten meer dan volmondig. Hoe meer ik me in dit ontwerp van decreet verdiep, hoe meer discrepantie tussen de mooie uitgangspunten en de rest van het ontwerp van decreet ik echter zie. Tijdens het debat is duidelijk geworden dat er ook een discrepantie tussen de realiteit en het ontwerp van decreet is.
Toch kan het belang van kinderopvang niet worden onderschat. Steeds meer studies tonen aan dat kwalitatieve kinderopvang dé opstap is naar meer gelijke kansen voor kansarmen en anderstalige kinderen in de samenleving, in het onderwijs en in het algemeen. Het Vlaams onderwijs scoort slecht op het vlak van gelijke kansen. Kinderen van allochtone ouders die bovendien ook nog eens kansarm zijn, hebben vandaag 50 procent kans om zonder diploma het onderwijs te verlaten. De tewerkstelling van allochtonen heeft onder andere te maken met het grote aantal allochtone jongeren dat afstudeert zonder diploma. Dit verschijnsel komt niet alleen in Vlaanderen, maar ook in andere Europese landen voor,
vandaar dat de Europese Commissie zich ermee gemoeid heeft. Ze heeft op 17 februari 2011 een advies gegeven over de universele toegang tot voorschools onderwijs voor kinderen tussen 0 en 6 jaar. Ze heeft dat gefundeerd met een aantal onderzoeken. Ik refereer aan professor Heckman. ”Early childhood is an efficient and effective investment for economic and workforce development. The earlier the investment, the greater the return on investment.” Als we vroeg investeren in onze kinderen, zullen we daar later de vruchten van plukken. Als we kunnen voorkomen dat kansarme en allochtone kinderen tot twee keer
toe blijven zitten in de lagere school, dan is dat een win-winsituatie. Dat kost minder en de kinderen krijgen meer kansen voor later. Ook professor Melhuish deed onderzoek. Hij zei het volgende: hoe lager de sociale klasse, hoe hoger het rendement van die investeringen. Dat is zeer economisch bekeken. Ook in eigen land wijzen onderzoekers op het dynamische proces van vroeg investeren met als gevolg meer gelijke kansen.

De Europese Commissie stelt voor dat we evolueren naar de integratie van de kinderopvang en het kleuteronderwijs. Op die manier kunnen we op maat van het kind de zorg afbouwen en de kansen opbouwen. Sommige kinderen zijn op 2,5 jaar perfect schoolrijp en andere totaal niet. Sommige kinderen blijven beter wat langer in kleine groepjes dan andere. De Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) heeft zich over dat advies gebogen en daar zelf een advies over uitgebracht. De raad heeft een druk bijgewoonde studiedag georganiseerd op 3 februari, er waren 280 deelnemers. Als je de toekomst wilt voorbereiden, moet je daarin investeren, maar men vond het zelfs niet nodig om de Vlor uit te nodigen op de hoorzitting om de mening van de raad te horen over een betere samenwerking tussen kleuteronderwijs en kinderopvang. Het betreft kinderopvang op maat van het kind om kansarme kinderen meer kansen te geven. Oost-Indisch doof bleef de commissie: men is niet geïnteresseerd. Het feit dat men er eigenlijk geen oog voor heeft, bewijst dat kinderopvang ook in dit ontwerp van decreet in de eerste plaats een instrument blijft om kinderen van uithuiswerkende ouders op te vangen en dat het helemaal niet de bedoeling is om dit als een soort hefboom tot de emancipatie te gebruiken, zoals mevrouw De Vits zo graag zou geloven en zoals de Nationale Vrouwenraad zo graag zou geloven. Trouwens, u weet ook dat uit studies, onder meer van Bea Cantillon, blijkt dat de gesubsidieerde kinderopvang vooral wordt gebruikt door hoger opgeleiden en beterverdieners. In de eigen cijfers van Kind en Gezin van 2010 lees ik dat allochtonen voor 32 procent gebruikmaken van kinderopvang, autochtonen voor 70 procent, kansarmen voor 21 procent, niet-kansarmen voor 65 procent.
De kinderopvang in Vlaanderen is vandaag een mooi voorbeeld van het mattheuseffect. De middelen gaan vooral naar de hoogopgeleiden en niet naar de kansarmen. Een zekere mevrouw Dejonckheere van de Universiteit Gent heeft zeer recent onderzoek gedaan. Van de werkende ouders die jaarlijks minder dan 60.000 euro verdienen, maakt 33 procent gebruik van de kinderopvang. Van de werkende ouders die jaarlijks 140.000 euro verdienen, maakt 91,8 procent gebruik van kinderopvang. Minister, u voert nu een getrapt systeem in, met een basissubsidie. Wat is die basissubsidie trouwens? Waar dient die voor? Dat is niet helemaal duidelijk. Misschien kunt u daar straks op antwoorden. De tweede trap is de kinderopvang die gesubsidieerd wordt om inkomensgebonden te werken. Daar is de voorwaarde aan verbonden dat er een absolute voorrang geldt voor werkende ouders. Dat betekent eigenlijk dat de deur van de gesubsidieerde kinderopvang, die nu ook voorrang kan geven aan niet-werkende ouders, nog meer gesloten wordt voor mensen die geen vaste jobs hebben of op een bepaald moment niet werken, mensen die onregelmatige loopbanen hebben. De deur voor de democratisering wordt hier nog meer gesloten.
In de derde trap van het decreet krijg je nog extra middelen om met kansarmen te werken en aan een soort van opvoedingsondersteuning te doen. Alleen vind ik het erg dat dat erbovenop komt, in de derde trap. Mijn voorstel is dat kinderopvang toegankelijk moet zijn voor iedereen. De kinderopvanginitiatieven die gelegen zijn in zorgregio’s;, waar veel kansarmen of anderstalige kinderen wonen, moeten een grotere
enveloppe krijgen zodat ze meer ruimte hebben om kansarme kinderen - ook van werkende ouders - op te vangen. In het decreet staat ook dat de gesubsidieerde opvang voorrang moet geven aan werkende ouders. Ik heb u daarnet de cijfers gegeven van het gebruik van de kinderopvang vandaag. Dat zal niet wijzigen met dit decreet. Echt niet. Integendeel, de voorwaarden worden stringenter. Je moet absoluut voorrang geven aan ouders die werken. Dat is strenger dan vandaag. Voor de rest zal het afhangen van de bijkomende middelen en de transitie naar later. Op dit moment is er absoluut geen bijkomende toegang gegarandeerd. Dat opent absoluut geen perspectieven voor kinderopvang zoals mevrouw De Vits en zoals de Nationale Vrouwenraad dat graag zouden hebben.
Daarmee kom ik bij mijn volgende punt. U hebt gekozen voor het systeem van trappen: basissubsidie, daarbovenop de gesubsidieerde, en daarbovenop de kansarme. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen, de mentaliteit van de Vlaamse administratie kennende, dat dit opnieuw tot ongelooflijk veel bijkomende regeltjes zal leiden. Kinderdagverblijven moeten bewijzen dat ze gedurende zoveel dagen zoveel kansarme mensen hebben opgevangen, dat ze gedurende zoveel dagen aan die en die voorwaarde hebben voldaan. Ik heb de indruk dat we met dit ontwerp van decreet ook daar geen omslag maken. Integendeel, we gaan verder met het systeem van alsmaar meer regeltjes. Natuurlijk zijn die normen niet allemaal Vlaams, maar ik zie vandaag dat mensen die met kinderopvang bezig zijn, steeds meer schrik hebben dat ze door Kind en Gezin op de vingers zullen worden getikt omdat dit of dat regeltje niet in orde is. Ik denk bijvoorbeeld aan gezonde voeding. Ik ken kinderdagverblijven waar mensen jaren met veel overtuiging en liefde gekookt hebben. Nu komen er plots allemaal regeltjes: verse groenten, geen zoete dingen enzovoort. Er zijn eindeloze lijstjes. Waartoe dient dat? Kinderen tussen 1 en 2 jaar hebben wat suiker nodig. Er bestaat ook zoiets als stevia, een gezond zoetmiddel. De mensen koken nu met angst, om alles goed te kunnen doen. Het doodt de creativiteit en het enthousiasme van mensen om te werken.
Ik geef een ander voorbeeld. Een kinderdagverblijf krijgt als opmerking dat kinderen 20 minuten op het potje zitten en dat het te lang is. De verantwoordelijke zegt dat er inderdaad één kindje is dat voor het middagdutje naar de grote wc gaat en dat het soms wat duurt. Als je het kind die tijd niet geeft, dan poept het in zijn pamper en ligt het twee uur in bed met een kakbroek. Moet Kind en Gezin zich met die dingen bezighouden, minister? Daar gaat het over. De mensen voelen zich vandaag permanent bekeken door een ‘big brother’. Daar heb ik het over en daar heeft ook het Vlaams Welzijnsverbond het over.
Ik wil ook nog iets zeggen over de betaalbaarheid. Het is er hier al vaak over gegaan en dat is ook logisch. Er zijn al heel wat problemen geweest: lange wachtlijsten, zelfstandige kinderdagverblijven die over kop gingen. Minister, u zei altijd: er wordt aan gewerkt, er komt een nieuw decreet voor de kinderopvang en dan zal het beter gaan. Tijdens de hoorzitting en tijdens de commissievergadering heeft iedereen naar financiële simulaties gevraagd. Wat kost dat? Als je het over een transitie hebt, dan moet je minstens weten hoeveel geld je hebt en hoe snel je je omslag kunt maken. Er is nooit een antwoord op gekomen.
Ik vind het een beetje erg dat u zich erover beklaagt dat UnieKO (N.B. de Koepel van de zelfstandige kinderdagverblijven) zelf begonnen is met een in mijn ogen goed onderbouwd dossier waarin ze aantonen wat de kost is van de kinderopvang per dag en per kind. Het is niet alleen het gevolg van het decreet Kinderopvang, maar ook het gevolg van het paritair comité 33, het gevolg van de voorwaarden van het Federaal Voedselagentschap en waarschijnlijk ook voor een deel het gevolg van dit nieuwe decreet.
Je schept een kader, maar je moet ook weten wat dat kader kost. Dat de zelfstandige kinderdagverblijven dat doen, heeft natuurlijk ook veel te maken met het feit dat het water hen tot aan de lippen staat. Ik heb u in het verleden herhaaldelijk gevraagd waarop de inkomensgebonden bijdrage, die nu aan zelfstandige kinderdagverblijven wordt gegeven en ondertussen 29 euro per dag en per kind bedraagt, is gebaseerd. Is dat gebaseerd op een reële kostenberekening? U hebt altijd gezegd dat het is gebaseerd op uw budgettaire ruimte. Wat blijkt nu? Los van het ontwerp van decreet kinderopvang worden het paritair comité 331 en de extra normen in het kader van het Federaal Voedselagentschap van kracht. Als u niet snel iets aan de zelfstandige kinderopvang doet, zullen de inkomensgebonden plaatsen, die nu al zeer precair zijn, verdwijnen. In het verleden heb ik cijfers opgevraagd. Voor de twee plaatsen die worden gecreëerd, verdwijnt er een. Uw idee van een per vijftig kinderen zal dan absoluut niet worden gerealiseerd. Minister, ik heb even voor u gerekend, want als u het niet doet, zal ik het doen. Interessant is dat die 41,48 euro van UnieKO ongeveer 10 euro onder de subsidie per dag per kind van de gesubsidieerde sector ligt. Het is interessant om daar ook een wederkerig debat over te hebben. Hoe komt het dat de gesubsidieerde sector 52 euro per dag en per kind nodig heeft? We zouden vragen kunnen stellen over de bezettingsgraad bijvoorbeeld. UnieKO gaat uit van een bezettingsgraad van 80 procent, 220 dagen opvang per jaar. Ik denk dat het heel interessant is om dat wederkerig debat te voeren. Misschien kunnen er wel efficiëntiewinsten worden geboekt in de gesubsidieerde sector zonder in te boeten op kwaliteit en kan dat geld worden gebruikt om de lat al een klein beetje meer gelijk te leggen tussen de gesubsidieerde
en de zelfstandige opvang.
Ik heb eens een berekening gemaakt. Op dit moment zijn er 12.591 inkomensgebonden plaatsen. Als je het verschil uitrekent tussen de 29 euro die ze vandaag krijgen en de 42 euro, wat de reële kostprijs is, dan kom je op ongeveer 13 euro. Dat vermenigvuldig je met 220 dagen. Dan kom ik op 36 miljoen euro. Met andere woorden, als u de huidige inkomensgebonden plaatsen wilt behouden en veiligstellen, dan hebt u meer dan 30 miljoen euro nodig. Dat is niet om uit te breiden, maar alleen om te behouden wat er is. Ik wil nog een stapje verder gaan. Minister, u zegt altijd maar dat er uitbreiding zal komen. Ik heb eens gekeken in het jaarrapport van Kind en Gezin. Van 2010 zegt men dat er 86.574 plaatsen zijn in de voorschoolse kinderopvang. In datzelfde jaar zegt de administratie Planning en Statistiek (APS) dat er 37 plaatsen op 100 kinderen zijn ingevuld. Dat ligt boven de Barcelonanorm, maar is nog een eindje verwijderd van de 50 plaatsen per 100 kinderen die u wilt realiseren tegen 2016. Als ik daar eenvoudigweg de regel van drie op
toepas, dan kom ik uit op 30.418 extra plaatsen om dat doel te bereiken. In 2010 kwamen die 37 plaatsen op 100 neer op 86.574 plaatsen in de voorschoolse opvang. Dat zegt Kind en Gezin in zijn jaarverslag. Er zijn dus 30.000 extra plaatsen nodig. Er zullen wel plaatsen bij zijn gekomen in 2010 en 2011. Toen had u respectievelijk 5,6 en 5 miljoen euro voor uitbreiding. Dit jaar had u meer, namelijk 22 miljoen euro, dankzij de omvorming van de jobkorting. Ik zie echter niet in hoe u tegen 2016 voor 50 kinderen op 100 in kinderopvang kunt voorzien. Zelfs vorige week hebt u, naar aanleiding van ons debat hier over de kinderopvangplaatsen in Brussel, opnieuw een persmededeling uitgegeven waarin u stelt dat de Vlaamse Regering verder investeert en tegen 2016 voor 50 kinderen op 100 in een plaats zal voorzien. Ten eerste: is dat genoeg? Dat weet ik niet. Waar komt dat vandaan? Ten tweede: waar gaat u dat geld halen? Als ik dat bereken, op basis van die 40 euro, dan kom ik aan 277 miljoen euro extra. Ik snap uw berekening dus niet. U moet het mij eens uitleggen.”
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Vind Groen in je buurt

Vind je gemeente

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat je onze website zo goed mogelijk beleeft. Lees meerOK