27 jun 2011

Vogels' conclusies uit de hoorzittingen commissie Jeugdzorg

De ad-hoccommissie Jeugdzorg van het Vlaams Parlement organiseerde tussen oktober 2010 en april 2011 een reeks hoorzittingen, waarin uitgebreid geluisterd werd naar zowel experts als getuigen uit het werkveld . De commissie wilde op die manier maatschappelijke verklaringen vinden voor de voortdurend stijgende instroom van kinderen en jongeren in de (bijzondere) jeugdzorg en in de geestelijke gezondheidszorg en om een aantal beleidsvoorstellen uitwerken om die stijgende instroom tegen te gaan. Deze commissie ad hoc komt er 12 jaar nadat in 1998 een eerste commissie jeugdzorg haar besluiten neerlegde en de regering adviseerde om een sterke eerste lijn hulpverlening uit te bouwen en te investeren in de integrale jeugdhulpverlening. Uit de hoorzittingen leerden we dat de verhoogde instroom niet los kan gezien worden van een aantal maatschappelijke oorzaken. Maar ook bij de uitwerking van de (integrale) jeugdzorg werden heel wat vragen gesteld en voorstellen tot verbetering geformuleerd. Oud-minister van Welzijn Mieke Vogels is vertrouwd met de problematiek en volgde de hoorzittingen met bijzondere aandacht. Dit zijn haar negen conclusies.

1. Geef kinderen meer ruimte
"Een probleem wordt veel sneller dan vroeger bestempeld als een stoornis. Je geeft aan kinderen dan ook de boodschap mee dat ze op een of andere manier gestoord zijn. Ik hou mijn hart vast voor de impact op de identiteitsvorming. Dit is de eerste generatie die zo intensief begeleid wordt en we weten nog niet wat het effect is. Al merk je nu al bij sommige jonge twintigers dat ze worstelen met het etiket dat ze vroeger opgeplakt kregen.” (Stijn Vanheule, UGent)

Onze samenleving gaat gebukt onder een streven naar perfectionisme. Steeds meer kinderen gaan door het leven met een stoornis. We moeten opnieuw durven kiezen voor een samenleving die kinderen niet problematiseert maar normaliseert, stelt Vogels. Nooit hadden kinderen meer rechten, nooit hadden kinderen minder ruimte. Onderzoek leert dat kinderen tussen 6 en 12 jaar ruim 52% van hun verplaatsingen doen op de achterbank van de auto. Ouders die hun kinderen alleen de straat op sturen heten onverantwoord en het gejoel van spelende kinderen wordt lawaai genoemd. Over alle bevoegdheden heen moet gezocht worden naar de bouwstenen voor de omslag naar een meer kindvriendelijke samenleving. Kinderen moeten in hun eigen omgeving op een veilige manier hun belangrijkste opdracht kunnen waarmaken: spelen!

2. Pak de kinderarmoede aan en garandeer gelijke kansen

De samenleving moet blijven werken aan de opheffing van kansarmoede. Wat we ook
onderzoeken, van obesitas, over ADHD, tot uitval uit onderwijs, uitval op de arbeidsmarkt,
depressie en welbevinden, altijd komen we terug bij diezelfde kenmerken. De sociaal-
economische factoren zijn de voorspeller van heel wat ellende en weinig welbevinden
.” (Hilde Haerden, Opvoedingswinkel Genk)

Er is een zeer duidelijke band tussen armoede en problematische opvoedingssituaties. De kinderarmoede in Vlaanderen neemt toe. Vandaag wordt in Vlaanderen één kind op vijf geboren in een kansarm of sociaal- economisch zwakker gezin. Professor Thérèse Jacobs van de Universiteit Antwerpen uit haar bezorgdheid over de toenemende armoede in allochtone gezinnen. We weten dat vandaag bijna 50% van de kinderen geboren in een kansarm gezin en met een andere thuistaal het onderwijs, verlaat zonder diploma. ”Door het gebrek aan kansen voor deze kinderen dreigen we een nieuwe groep generatiearmen te creëren”, aldus professor Jacobs.
Vogels stelt daarom dat het dringend tijd is om te investeren in een onderwijs waar alle kinderen gelijke kansen krijgen. Integreer kinderopvang en kleuteronderwijs. Maak ruimte voor de brede school, waar je les volgt maar ook kan sporten of muziek maken. Want nu zijn buitenschoolse activiteiten het voorrecht van kansrijke kinderen. De Vlaamse regering moet met de steden een plan uitwerken en de nodige middelen voorzien om de kinderarmoede terug te dringen. Er zijn dringend investeringen nodig in kwalitatieve huisvesting, aantrekkelijk openbaar domein en in een gegarandeerde energievoorziening voor kansarme gezinnen.

3. Heroriënteer de middelen voor opvoedingsondersteuning

Ik doe een serieuze oproep om verder structureel in te zetten op opvoedingsondersteuning en preventieve opvoedingshulp. Het uitgangspunt is: laat de opvoedingsverantwoordelijkheid zoveel mogelijk bij ouders. Probeer het niet elke keer vanuit je eigen normen en waarden over te nemen. Houd ook op met gezinnen te problematiseren, maar probeer ze als hulpverlener in de eerste plaats te waarderen. Maak dat hulpverlening laagdrempelig en beschikbaar is. Daarmee bedoel ik: present zijn. De verzakelijking van de welzijnssector leidt ertoe dat op de momenten dat gezinnen en jongeren ons het meest nodig hebben, wij in vele gevallen het minst bereikbaar zijn.” (Patrick Blondé, directeur CKG Kapoentje)

Alle experts zijn het eens over het nut van opvoedingsondersteuning. Het is immers beter te voorkomen dan te genezen als je de toestroom naar de bijzondere jeugdzorg wil inperken. Als je ervoor zorgt dat ouders betere opvoeders worden, zal de situatie thuis minder snel uit de hand lopen. De vraag is alleen of de middelen voor opvoedingsondersteuning op dit moment goed worden besteed. De Vlaamse overheid koos met het decreet opvoedingsondersteuning van 13 juli 2007 voluit voor het model van de opvoedingswinkels. Opvoedingswinkels verstrekken informatie over opvoeding en brengen alle actoren samen die in de regio bezig zijn met opvoedingsondersteuning. Dat betekent nog maar eens nieuwe infrastructuur en extra overlegstructuren.
Vogels vindt dat opvoedingsondersteuning beter gedeprofessionaliseerd wordt. Generatie na generatie stelden ouders en opvoeders zich de vraag: doe ik het wel goed? Ze gingen te rade bij ouders, vrienden, buren of sloten ze aan bij organisaties zoals de Gezinsbond die jonge ouders samenbracht. Ervaringen werden uitgewisseld en niemand had de waarheid in pacht. Vandaag gaat de opvoeder te rade bij de ‘professionele opvoeder’ die HET antwoord bezorgt. Opvoedingsadvies moet worden terug gegeven aan de ervaringsdeskundigen. Het is niet de taak van de overheid om zelf een opvoedingswinkel uit te bouwen. De overheid moet wel organisaties ondersteunen die ervaringsdeskundigen samen brengen om hun opvoedingservaringen te delen. De relatief schaarse middelen die vandaag worden ingezet in uitvoering van het decreet opvoedingsondersteuning moeten geheroriënteerd worden in de meest kansarme buurten om in samenwerking met Samenlevingsopbouw reële ondersteuning te bieden aan gezinnen waar de risico’s; op problematische opvoedingsituaties het grootst zijn. Zo bestaan er vandaag succesvolle projecten die ouders en kinderen op vrije dagen samenbrengen. Kinderen kunnen er spelen met constructief speelgoed - speelgoed dat ze thuis niet hebben en dat belangrijk is voor hun schoolse ontwikkeling. Ouders kunnen ondertussen ervaringen uitwisselen en hulp vragen aan de begeleiding.

4. Ga voor de vermaatschappelijking van de zorg

Professionele hulpverleners zijn vastgelopen in regels en procedures. De sociale werker moet opnieuw het vliegwiel aanzwengelen om de vastgelopen motor weer in beweging te brengen. De informele netwerken van de betrokkenen leveren hiertoe de brandstof”. (Jos Vanderlans, cultuurfilosoof)

De term ‘vermaatschappelijking van de zorg’ komt uit Nederland. De kern van het concept: steeds meer voorzieningen en steeds meer professionele hulpverlening is niet wenselijk, niet haalbaar en ook niet betaalbaar. Er moet meer opvang en zorg worden teruggebracht naar het informele netwerk van de zorgbehoevende. Minister Vandeurzen neemt het concept ‘vermaatschappelijking van de zorg’ over in zijn beleidsnota’, maar in Vlaanderen evolueert de hulpverlening op dit moment precies in tegenovergestelde richting. Zowat de hele hulpverlening baseert zich op het ‘medische model’, dat het probleem isoleert en objectiveert en op basis daarvan de hulpverleningsmodule definieert. Men gaat ervan uit dat elke jongere die hulp zoekt in één hokje past en dat elke daad van de hulpverlener kan worden getimed en in een procedure kan worden gegoten.
Mieke Vogels stelt voor om voluit te kiezen voor vermaatschappelijking van de zorg, weg van het medische model. Vermaatschappelijking van de zorg is onlosmakelijk verbonden met contextueel werken. Dit geldt bij uitstek voor jongeren in problematische opvoedingsituaties. Investeren in de toekomst van jongeren is investeren in het herstel van hun eigen netwerk. Elke stap in de reorganisatie van de zorg en hulpverlening voor kinderen en jongeren moet dan ook gebaseerd zijn op de contextuele aanpak en bekijkt de jongere binnen zijn informeel netwerk.

5. Decentraliseer de Integrale Jeugdhulpverlening

Het project van de integrale jeugdhulp was een ontzettend goede doelstelling, alleen heb ik op dit moment vanuit het veld het gevoel dat we van die doelstelling veel verder af zijn dan tien jaar geleden. Dat heeft ook te maken met het feit dat waarschijnlijk om begrijpelijke, politieke, maatschappelijke Vlaamse redenen men zich heeft gefocust op voorzieningen, instellingen en directeurs en niet op ouders, kinderen en hulpverleners die daarmee bezig zijn.”(prof. Deboutte, UA)

De Integrale Jeugdhulpverlening werd in 1998 goedgekeurd door het Vlaams parlement. Bedoeling was toen al om de instroom naar de bijzondere jeugdzorg in te perken. Via de ‘modulering’ moesten de vijf sectoren van de integrale jeugdhulp dichter bij elkaar gebracht worden door ze een zelfde taal te laten spreken. Dankzij een betere kennis van het hele hulpverleningsveld, zou men aan de hulpvrager meer zorg op maat kunnen garanderen. Want het ideale antwoord op de zorgvraag is vaak een stukje steun uit één sector gecombineerd met een aantal uren steun uit een andere sector. Maar het systeem werkt niet zoals het hoort. Tijdens de hoorzittingen getuigden experts dat de Integrale Jeugdhulpverlening niet heeft geleid tot bereikbare zorg of transparantie, wel tot een nieuw jargon dat in een top-downmodel wordt bewaakt door de stuurgroep Integrale Jeugd Hupverlening. Dit fnuikt de creativiteit van de hulpverleners op het terrein.
Ook voor de Integrale Jeugdhulpverlening pleit Vogels - helemaal in de lijn van de vermaatschappelijking van de zorg - voor een minder centraal gestuurd systeem, met minder procedures en meer vertrouwen in de expertise van de professionele hulpverlener. De regionale netwerken moeten op maat van hun regio -de realiteit in Antwerpen is anders dan in Limburg- sectoroverschrijdende kunnen afspraken maken. Deze afspraken zijn de basis voor de bijkomende financiering in de jeugdzorg.

6. Maak eindelijk werk van een netwerk rechtstreeks toegankelijke hulp

"De bijzondere jeugdzorg moest bijzonder blijven. Door het ontbreken van een goed uitgebouwde eerste lijn wordt er te laat ingegrepen en wordt de hulpverlening veel ingrijpender. Het beleid moet werk maken van een laagdrempelige eerstelijnhulpverlening voor kinderen en jongeren." (Maatschappelijke beleidsnota, 1988)

Dit was inderdaad één van de belangrijkste conclusies uit de maatschappelijke beleidsnota van 1998. Er bestaat vandaag, 12 jaar later nog steeds geen laagdrempelige eerstelijnshulpverlening, in het jargon van de integrale jeugdhulpverlening: een breed toegankelijk netwerk ‘rechtstreeks toegankelijke hulp’. De voorbije tien jaar is er onder meer onder druk van de publieke opinie vooral geïnvesteerd in de bijzondere jeugdzorg en in de zorg voor personen met een handicap. In het aanbod rechtstreeks toegankelijke hulp veranderde er amper iets. Dit maakt dat ook nu nog de bijzondere jeugdzorg het eerste aanspreekpunt is voor ouders en jongeren op zoek naar hulp. Uit de cijfers van de administratie Jongerenwelzijn blijkt dat de comités Bijzondere Jeugdzorg 69% van de vragen om hulp onontvankelijk verklaart wegens niet zwaarwichtig genoeg voor de bijzondere jeugdzorg.
Vogels wil dan ook dat er een decreet rechtstreeks toegankelijke hulp komt dat de opdracht verfijnt en duidelijker omschrijft wat deze rechtstreeks toegankelijke hulp kan bieden aan kinderen, jongeren, ouders, opvoeders en jongvolwassenen. Een programmatie moet er voor zorgen dat de rechtstreeks toegankelijke hulpverlening in Vlaanderen tussen nu en 2020 wordt gerealiseerd.

7. Herwaardeer de consulent in de jeugdzorg als trajectbegeleider

Een belangrijk concreet aspect in de integrale jeugdhulpverlening is de trajectbegeleider.
Waar is die naartoe? In het begin had die een sterke functie, maar die is wat ondergesneeuwd
geraakt. Een trajectbegeleider is traditioneel iemand die de jongere en zijn probleem begeleidt, maar een trajectbegeleider zou ook een rol kunnen vervullen bij het appel doen op en bij het naar boven krijgen van logica’s; van hulpverleners. Ik hoorde het verhaal van een jongere die in een gemeenschapsinstelling werd geplaatst omdat hij in de residentie niet uit zijn bed komt. Hij staat niet op en geraakt niet in school. Daarom werd beslist om hem te sanctioneren door hem naar de gemeenschapsinstelling te sturen. Zijn dat adequate interventies? Ze vertrekken vanuit een beheersingslogica
.” (Prof. Freya Vander Laenen, UGent)

Tegen 2014 wil minister Vandeurzen een volgende belangrijke stap zetten in de uitvoering van de integrale jeugdhulpverlening. Dan moet de ‘toegangspoort’ operationeel zijn. Die toegangspoort levert het ticket af tot de toegang van de niet rechtstreeks toegankelijke hulp (meer ingrijpende hulp, uithuisplaatsingen…). In het uitgetekende model van toegangspoort rekent men op het (niet uitgebouwde) netwerk rechtstreeks toegankelijke hulp. Als de rechtstreekse hulpverlener oordeelt dat de jongere moet geholpen worden door de bijzondere jeugdzorg of een voorziening in de gehandicaptensector, dan maakt die hulpverlener een dossier op volgens de beschreven procedures en op basis van de opgemaakte en gestandaardiseerde formulieren. Binnen deze toegangspoort zullen de huidige consulenten worden ingezet om op basis van dit dossier de indicatiestelling te doen. Een ander team zal er de juiste module zorg aan toevoegen. Dit alles zonder de hulpvrager, de jongere of zijn ouders ook maar één keer te horen.
Deze manier van werken bouwt verder op het ‘medische model’ en staat totaal haaks op de gewenste evolutie naar een vermaatschappelijking van de zorg. Investeren in vermaatschappelijking van zorg betekent immers investeren in vraagverduidelijking: wat is precies het probleem en hoe situeert zich dit binnen het gezin, het netwerk van de hulpvrager om dan samen met de betrokken cliënt het traject te volgen.
Het huidig concept ‘toegangspoort’ mag niet verder worden uitgevoerd, vindt Vogels. In een nieuw concept toegangspoort moet de consulent centraal staan. De consulent is verantwoordelijk voor de vraagverduidelijking en organiseert indien nodig, netwerktafels met alle betrokkenen (jongere, ouders, school, grootouders…) om duidelijk uit te klaren wat het informele netwerk kan betekenen in de hulpverlening. De consulent blijft het hulpverleningstraject begeleiden en bevraagt de hulpverleners voortdurend in hun streven naar het opbouwen of versterken van het informeel netwerk van de jongere.

8. Doe onderzoek naar jeugdzorg

We hebben kennis over individuele programma’s;, maar ik bedoelde dat we in Vlaanderen geen zicht hebben op de trajecten die worden afgelegd. Wat is de weg die jongeren en hun gezin effectief afleggen in de zorg? Waar beginnen ze? Naar welke dienst van Kind en Gezin gaan ze? Komen ze via het CLB? Komen ze via bijzondere jeugdzorg, de geestelijke gezondheidszorg? (…) Op die transitieprocessen van kinderen en gezinnen in de zorg en op de verbintenissen die worden opgenomen, hebben we eigenlijk nauwelijks zicht.” (Prof. Rudi Roose, UGent)

Steeds meer kinderen en jongeren groeien op in allochtone gezinnen. Heel wat van deze gezinnen leven bovendien in armoede en hebben ook meer kans om in een problematische opvoedingsituatie terecht te komen. Uit een onderzoek van professor Driessens (UA) bleek dat 44% van de nieuwe aanmeldingen in de bijzondere jeugdzorg in de provincie Antwerpen kinderen en jongeren uit allochtone gezinnen zijn. Werken met allochtone jongeren vraagt extra competenties van de professionele hulpverlener, niet alleen omwille van hun thuistaal, maar ook omdat ze vaak andere waarden en normen hebben met betrekking tot opvoeden. Begrijpen is niet hetzelfde als goedkeuren, maar het is wel de basis van elk hulpverleningsproces. Mieke Vogels stelt daarom voor om een Kenniscentrum Diversiteit op te richten dat de consulenten ondersteunt.
En er is ook nood aan harde cijfers. Tijdens
de hoorzittingen werd pijnlijk duidelijk dat er nog steeds een schrijnend gebrek is aan cijfers en gegevens over de jongeren in de jeugdzorg. We hebben geen idee wie waar op welke zorg wacht. We weten evenmin welke trajecten de jongeren afleggen binnen de jeugdzorg. Vinden de jongeren die worden afgewezen bij het comité Bijzondere Jeugdzorg elders gehoor? Komen ze later toch weer terecht in de bijzondere jeugdzorg of lost het probleem zich ooit vanzelf op? Mieke Vogels pleit daarom voor de oprichting van een Vlaams wetenschappelijk Steunpunt Jeugdzorg.

9. Investeer in hulpverlening voor jongvolwassenen

Er is het voorbeeld van Gino, die ondertussen meerderjarig is. Gino is licht mentaal gehandicapt, maar heeft ook een psychiatrische stoornis. Het was dus problematisch om hem te plaatsen. Na vele omzwervingen, van de ene naar de andere instelling, is hij bij ons in het JAC van Dendermonde terechtgekomen. We konden naar hem luisteren en samen naar de best mogelijke oplossing zoeken. Maar in dit geval was er geen best mogelijke oplossing. Ondertussen was Gino namelijk bijna 18. Hij verbleef achtereenvolgens in de A-dienst van het plaatselijke ziekenhuis, in de Universitaire Psychiatrische Spoed Interventie Eenheid van Gent, in een noodwoning van de politie, en nog op een aantal andere plaatsen,tot hij 18 werd. Toen was hij ook nog eens thuisloos, dakloos en zonder inkomen. Ook in de thuislozenzorg was er voor hem geen adequate zorg. Want zij zeiden daar, met recht en reden: ”Hij kan niet in deze leefgroep terecht, want hij heeft een psychiatrische problematiek en een mentale handicap.” Momenteel weten we zelfs niet meer waar hij zit. Dat is het ergste.” (Agnes Onghena, JAC Dendermonde)

Tijdens de hoorzitting bleek alvast dat men niet op de cijfers hoeft te wachten om alvast te investeren in de hulpverlening aan jong volwassenen. De verhalen van jongeren die niemand hebben om op terug te vallen eens ze 18 zijn en de hulpverlening in de bijzondere jeugdzorg of de gehandicaptensector is weg gevallen, zijn schrijnend. Daarnaast moet er dringend geïnvesteerd worden in de zogenaamde GES-jongeren - jongeren met een gedrags- en emotionele stroornis- die tijdens de hoorzitting door de werkgroep ‘vergeten jongeren’ werden voorgesteld. Voor deze zwakste groepen bestaat momenteel geen of bijna geen aanbod. Steeds meer schoolplichtige kinderen vinden geen plaats op school en zitten thuis, dit in onaanvaardbaar.

Vind Groen in je buurt

Vind je gemeente

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat je onze website zo goed mogelijk beleeft. Lees meerOK