25 mei 2011

Waarom het soms misloopt in pleeggezinnen

Vorige week werd er in de media heftig gereageerd op het bericht dat er een Duffels pleeggezin zijn pleegkind mishandelde. Het Vlaams Parlement wijdde een actualiteitsdebat aan het thema. Terwijl de meeste sprekers bleven steken in verontwaardiging - 'hoe is het mogelijk dat zoiets kan gebeuren?', zette Mieke Vogels het probleem in de ruimere context van het aanbod van de jeugdhulp. Vogels betoogt dat alsmaar meer kinderen in een pleeggezin worden geplaatst, omdat pleegzorg steeds meer het tekort aan plaatsen in de voorzieningen moet opvangen. Kinderen worden als pleegkind ondergebracht bij familie, zonder dat behoorlijk onderzocht is of de familie de opvang wel aankan. Vogels betoogt dat als het zo verder gaat, we nog meer incidenten met pleeggezinnen mogen verwachten. U leest hier haar opmerkelijke tussenkomst.

"Voorzitter, minister, collega’s;, ik wil dit betoog starten met een woord van waardering voor de duizenden pleeggezinnen die de voorbije jaren, met veel idealisme en zonder statuut, het beste van zichzelf hebben gegeven om kinderen in een problematische opvoedingssituatie een betere toekomst te geven. Het voorval in Duffel is vooral voor deze mensen bijzonder pijnlijk. Het choqueert ons ook dermate omdat het illustreert dat we niet in staat zijn om kleine, kwetsbare kinderen in de problemen, toch nog een veilige opvoedingsomgeving te geven.
Helaas, collega’s;, als dergelijke incidenten zich voordoen, dan hebben de media niet de neiging om daartegenover goede voorbeelden te plaatsen, maar wel om op zoek te gaan naar andere incidenten en voorbeelden die kunnen aantonen dat het helemaal verkeerd loopt in de sector. Het al aangehaalde onderzoek van professor Vanderfaeillie toont aan dat 44 procent van de pleeggezinplaatsingen niet goed afloopt. Hij zegt er niet bij dat het een onderzoek is naar 233 dossiers van kinderen in zware problemen, met hechtingsstoornissen. Natuurlijk is de kans op mislukking dan veel groter.
Minister, na een dergelijk incident komt steevast de vraag wat u gaat doen om ervoor te zorgen dat dit nooit meer gebeurt. U hebt via de kranten al laten weten dat u een onderzoek zult gelasten en u zegt dat u lessen zult trekken voor de selectie en de screening van pleeggezinnen. Dit incident komt u allicht niet zo goed uit, minister, want u zet fel in op pleegzorg. U kiest zelfs uitdrukkelijk voor pleegzorg voor kinderen jonger dan zes jaar. Ik ben het met u eens dat dat de beste oplossing is. Ik zou u toch met aandrang willen uitnodigen om niet alleen dit incident te onderzoeken, maar de hele pleegzorg van vandaag eens tegen het licht te houden. Pleeggezindiensten zeggen mij dat het steeds moeilijker wordt om pleeggezinnen te vinden. Dat is geheel met de tijd mee. Er wordt van de mensen verwacht dat ze met twee uit werken gaan. De combinatie van gezin en arbeid is niet evident. Maatregelen om die combinatie te vergemakkelijken worden eerder af- dan opgebouwd. Van die gezinnen verwachten dat ze zich dan nog eens inzetten om een pleegkind op te vangen, is niet evident.
Merkwaardig genoeg duiden de cijfers het tegendeel aan. In de laatste tien jaar is het aantal pleeggezinnen met 60 procent gestegen. Eigenlijk zouden we daar vooral eens moeten bij stilstaan. Het aantal pleeggezinplaatsingen is niet gestegen omdat dat voor meer kinderen beter was, maar vooral omdat pleegzorg steeds meer het tekort aan plaatsen in de voorzieningen moet opvangen. Is het dan wel in alle gevallen de beste oplossing? Naar aanleiding van onze Commissie Jeugdzorg sprak ik met een pleegzorgdienst in het Antwerpse. Ik hoorde hallucinante verhalen waarvan ik er u één niet wil onthouden. Het is een perfecte illustratie van wat ik bedoel. Een alleenstaande moeder met drie kinderen van lagereschoolleeftijd gaat op een vrijdagochtend door het lint en wordt gecolloqueerd. De drie kinderen worden ter beschikking gesteld van de jeugdrechter. De jeugdconsulent moest dus vóór diezelfde avond onderdak vinden voor de kinderen. Zoals altijd was er in de buurt nergens plaats in een voorziening. Opvang gebeurt het liefst in de buurt om de kinderen te kunnen garanderen dat ze op maandag terug naar hun school kunnen. Uiteindelijk kwam men uit bij de grootmoeder. Het is een alleenstaande vrouw die in een sociale flat met één kamer op de Luchtbal woont. Zij gaf duidelijk te kennen dat ze dat helemaal niet zag zitten. Ze had financieel noch feitelijk de ruimte om drie kinderen op te vangen. Ze werd dan toch overtuigd met het argument van een ‘pleeggezinplaatsing’. Daarmee kan ze steun en financiële bijstand krijgen. Die steun betekent in de eerste plaats natuurlijk drie matrasjes vinden om de kinderen in de woonkamer te installeren.
Drie maanden later zitten de drie kinderen daar nog, minister, er is nog steeds geen oplossing gevonden. Als de grootmoeder controle krijgt van de sociale dienst van de huisvestingsmaatschappij, dan vliegt ze uit haar sociale woning. Zij mag in een eenslaapkamerappartement immers geen drie kinderen opvangen. Dat is de situatie op het terrein. Dat is geen uitzondering en illustreert perfect dat pleegzorg fungeert als de overloop voor het structurele tekort aan plaatsen in de jeugdzorg.
Ik ga niemand met de vinger wijzen. Niet de jeugdconsulent, we kunnen van hem niet verwachten dat hij die drie kinderen mee naar huis neemt. Niet de pleegzorgdienst, want wat moet er met die kinderen gebeuren?

Minister, dit is de oorlog van de schaarste. In die oorlog van de schaarste komt het belang van het kind op de laatste plaats. Deze oorlog van de schaarste, minister, maakt dat er oneigenlijke pleeggezinplaatsingen zijn op dit moment. Vaak is pleegzorg absoluut niet de juiste oplossing voor het kind, maar - zeker in het geval van ‘netwerkplaatsingen’, bij familie dus - wordt ook vaak onvoldoende onderzocht of de familieleden over de nodige draagkracht beschikken. Daardoor zullen we in de toekomst, helaas, dergelijke incidenten misschien wel meer meemaken. Minister, u werkt aan een decreet over de pleegplaatsing. Er wordt heel veel van verwacht. Ik herhaal, doe alstublieft een analyse ten gronde van deze dienst en zorg ervoor dat uw decreet niet op mul zand gebouwd is. Ook hier, ik kan er niet aan doen, is de situatie in een grootstad totaal niet te vergelijken met de situatie in uw provincie. Als u in Limburg pleeggezindiensten fusioneert, zullen die, zeker in een eerste fase, in staat zijn om meer gezinnen te motiveren en beter controle te doen. Maar in de steden is er zowel schaarste bij het aanbod als een enorm grote vraag, en is pleegplaatsing niet altijd de juiste oplossing.
Minister, ik herhaal mijn enige vraag. Wat zult u doen om een grondige analyse te maken om te kijken wat er mis loopt en om ervoor te zorgen dat oneigenlijke pleeggezinplaatsingen, die de hele sector een klein beetje in diskrediet brengen, worden voorkomen?

Voorzitter, minister, het begint een beetje een gewoonte te worden dat als er een probleem wordt aangekaart, er een decreet wordt aangekondigd. Dat is met de kinderopvang zo: alles zal worden opgelost met het decreet. Het lijkt ook een beetje het verhaal te worden van de pleegzorg: alles wordt opgelost, want er komt een decreet. Een decreet op zich lost natuurlijk de schaarste niet op, niet in de kinderopvang en niet in de pleegzorg. Een decreet op zich creëert geen enkele plaats. Net in de bijzondere jeugdzorg, waar u wel naar hebt verwezen, moeten we de pleegzorg zien in het geheel van de bestaande schaarste waardoor aan kinderen niet snel het juiste hulpverleningsaanbod kan worden gegarandeerd. Ik ben het met u eens dat het niet alleen een kwestie van schaarste is, dat we ook beter moeten samenwerking en intersectoreel moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het
juiste antwoord op de juiste hulpvraag wordt gegeven. Het zou ons hier te ver leiden om een debat te voeren over de integrale toegangspoort, maar na de commissie Jeugdzorg geloof ik minder dan ooit dat de integrale toegangspoort het probleem zal oplossen en mogelijk zal maken dat we jongeren sneller een beter hulpaanbod kunnen garanderen. Er kan immers in de hele procedure op geen enkele manier rekening worden gehouden met de context van de jongere, met het netwerk waarin hij operationaliseert. Alles wordt geprotocoliseerd, alles wordt in dossiers gegoten en men ziet steeds minder de persoon die erachter zit. Dat vind ik een verschrikkelijke evolutie. In het verlengde daarvan, minister, ben ik ook niet zo zeker dat een decreet een verbetering zal zijn. Ik ken de decreten en uitvoeringsbesluiten die we vanuit Vlaanderen maken een beetje. Ik lees vandaag in de krant dat uw administratie zegt dat een pleeggezindienst gemiddeld zeven keer per jaar een bezoek aflegt aan een pleeggezin en dat de consulent om de zes maanden langskomt. Dat is niet zo, minister, dat is bijna nooit zo. Dat is heel soms zo: in de gezinnen waar het nodig is. Laat ons alstublieft niet weer alles vanuit Vlaanderen dicteren: elk gezin moet zeven keer bezocht worden, daar moeten we dan een protocol van maken en dat moeten we noteren. Laten we alstublieft, ondanks de problemen die er kunnen zijn, voldoende vertrouwen geven aan mensen die werken in de diensten en op het terrein.
We mogen hen niet, vanuit de angst dat er iets zou kunnen foutlopen, dwingen tot nog meer administratie, nog meer bezoeken, nog meer eenheidsworst, want dat is absoluut niet de oplossing voor de bijzondere jeugdzorg. Er moet zorg op maat van het kind worden georganiseerd, geen eenheidsworst."

Vind Groen in je buurt

Vind je gemeente

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat je onze website zo goed mogelijk beleeft. Lees meerOK